Praktijk voor Veterinaire Natuurgeneeskunde

 Werken met de kracht van dier én natuur. Dat is NatuurTalent ! 

Wormen de baas

22-02-2022


Preventie, resistentie, mestonderzoek, vatbaarheid en natuurlijke ondersteuning.

Endoparasieten zijn de inwendige mee-eters. Wormen in de buik is een gruwel gedachten vind ik zelf.

En toch leven onze dieren (en wij) in symbiose met veel ongedierte, denk aan bacteriën, schimmels en wormen. Teveel wormen zijn uiteraard ziekmakend, maar je wordt niet meteen ziek van een paar wormen.


De meest gestelde vragen rondom dit onderwerp zijn:

1. ‘Ik heb nog nooit wormen gezien, dus die heeft hij dan toch ook niet?’

2. ‘Kan ik mijn dier natuurlijk ontwormen’?

3. ‘Heeft mijn dier wormen omdat deze veel sleetje rijdt/met zijn kont over de grond gaat?’
Hierop zal ik antwoord geven.

Regulier advies

Regulier gezien wordt er geadviseerd 4x per jaar te ontwormen bij volwassen dieren.
Bij pups wordt het schema 2, 4, 6 en 8 weken gehanteerd en tot 6 maanden, iedere maand.
Deze frequentie kiest men bij pups omdat bij ontworming veelal alleen de volwassen wormen worden behandeld en bijvoorbeeld de jonge larven van de spoelworm na 2 weken volwassen zijn en voor vele eitjes en vermeerdering kunnen zorgen. Ook kan er ondertussen weer een nieuwe besmetting zijn opgedaan.
Drachtige teven worden vóór de geboorte ontwormt en melkgevende teven worden tegelijk met de pups ontwormt. Omdat sommige wormen reeds vóór de geboorte en via de melk worden overgedragen.

Natuurlijke visie

Als je het mij vraagt, vind ik het teveel van het ‘goede’ voor volwassen dieren.
Veel eigenaren denken dat ze préventief ontwormen. Dit is niet het geval. Het is niet zo dat wanneer je hond vandaag ontwormt is, dat hij de komende 3 maanden worm vrij blijft. Je ontwormt om de aanwezige wormen te doden. Dus als er niets zit, ontworm je dus voor niets!
In Nederland heeft minder dan 10% van de honden een werkelijke worminfectie. Dus in 90% van de gevallen ontworm je dan voor niets én zorg je voor extra belasting van het immuunsysteem van je hond. Daarnaast loop je het risico dat de wormen resistent worden, daarover zometeen meer.

Mestonderzoek

Maar wat dan wel? Ik adviseer dan ook altijd om mestonderzoek te doen. Dit kan vaak bij je eigen dierenarts of bijvoorbeeld bij VPL het Woud (zie wormbestrijding.nl).
De belangrijkste voordelen van mestonderzoek zijn dat je je dier niet onnodig chemisch belast en dat parasieten minder snel resistent worden tegen chemische middelen.
Chemische belasting is slecht voor de darmflora en de middelen hebben o.a. effect op organen die afvalstoffen moeten verwijderen.
Bij paarden werd vroeger blind 4x per jaar ontwormt. Tegenwoordig is dit verboden en is een mestonderzoek verplicht vanwege bovenstaande problematiek.
Het is een kwestie van tijd, dat dit ook bij honden en katten zo zal zijn.
Niet alle wormeitjes zijn altijd zichtbaar in de mest. Zo kunnen bijvoorbeeld spoelwormen larven zijn ingekapseld in andere weefsels, zoals in de spieren. Deze kunnen bijvoorbeeld worden 'gereactiveerd' tijdens dracht en dus toch verspreiden naar pups (vóór de geboorte, tijdens bevalling en zogen).
Vooral lintworm kan zich in delen (pakketjes) uitscheiden, waardoor het niet altijd zichtbaar is.  Regelmatig controleren van de mest en/of bijv. één keer per jaar een chemische wormkuur geven, welke ook geschikt is tegen bijv. lintwormen en spoelworm, kan een grote besmetting voorkomen.

Vatbaarheid

Iedere hond is anders. De vatbaarheid voor wormen is voor sommige honden groter. Denk bijvoorbeeld aan dieren die een zwak immuunsysteem hebben of veel stress. Ook speelt voeding een rol. Hier heb ik eerder artikelen over geschreven, daar zal ik nu dan ook niet op in gaan, lees het na voor een goede achtergrond informatie.
Ook wanneer je dier bijv. veel poep eet van andere katten en honden, dan kan hij natuurlijk sneller een wormbesmetting oplopen. Poep eten van grote planteneters en vogels bijv is voor honden minder ernstig wat betreft een wormbesmetting. Lintwormen kunnen bijvoorbeeld wel via knaagdieren ontlasting worden overgedragen.
Ook dieren die vlooien hebben gehad, hebben een hoger risico op bijvoorbeeld lintworm, omdat vlooien ( = tussengastheer) deze kunnen overbrengen, net als bijvoorbeeld konijnen, muizen, ratten en schapen.
Maar denk ook aan leefomstandigheden die een factor zijn voor het besmettingsrisico.
Wanneer je je hond uitlaat in een gebied waar veel honden komen, waar veel poep ligt en/of de weersomstandigheden zijn ideaal, dan is de kans op een besmetting veel groter dan wanneer je in een gebied komt waar bijna geen honden lopen of het hard vriest, dan is de besmettingsdruk kleiner.
Hartworm zal een hond waarschijnlijk alleen op kunnen lopen in het buitenland, een stadshond heeft dat risico niet. En weer een andere hond die in aanraking komt met vossenpoep, heeft weer andere risico’s. Zo zijn er meerdere factoren die een rol spelen bij het besmettingsrisico.
Mijn ervaring is dat een goede weerstand het belangrijkste is. Dat is goed nieuws omdat je dit kunt beïnvloeden met o.a. goede voeding, juiste leefomstandigheden, maatwerk fysieke- en mentale uitdaging én natuurlijke middelen.

Pups  

Bij pups is het risico op spoelwormen het grootst. Mijn persoonlijke mening is dat deze pups vooral veel ontwormt worden omdat men (begrijpelijk) bang is voor een infectie bij kinderen. Pups worden veel aangehaald door kinderen en deze groep is vatbaarder voor een worminfectie dan volwassenen.

Spoelwormen kunnen bijvoorbeeld blindheid veroorzaken bij kinderen.
Ook kunnen overmatige worminfecties dodelijk zijn voor de pups zelfs, geen enkele fokker wil dat risico lopen.
Je zou kunnen kiezen voor standaard ontworming op 2 en 4 weken i.v.m. verspreiding via de teef en levenscyclus van de worm. En daarna bij 6 weken de mest kunnen controleren. Echter wanneer één pup in het nest een hoge eitelling heeft, zal het hele nest onder handen genomen worden. De meeste fokkers kiezen hier helaas niet voor. Voor pups in het nest nemen zij dan ook meestal het zekere voor het onzekere en dus chemisch ontwormen. Dit neemt niet weg dat het een zware belasting is voor zo'n jong dier. Dit kun je daarna wel ondersteunen met natuurlijke middelen of met een puppy check.
Wanneer de pup mee naar huis gaat op 8 weken, zal de eigenaar dus direct een mestonderzoek moeten laten doen als de pup nog niet ontwormt is. Daarna zal dit tot de leeftijd van 6 maanden consequent iedere maand gecontroleerd moeten worden, wanneer je kiest voor de natuurlijke weg en zo weinig mogelijke chemische belasting.
Wanneer de moederhond regelmatig onder controle staat van mestonderzoek, haar gezondheid goed is, zal de besmettingsgraad lager zijn. Een goed immuunsysteem van de ouders, is dan ook een belangrijke factor. Echter doordat larven via het bloed kunnen migreren naar andere weefsels én kunnen 'reactiveren' tijdens dracht, is een negatief mestonderzoek géén garantie voor wormvrije pups.

Resistentie 

Resistentie tegen een wormkuur ligt bij de wormen, niet bij het individuele dier. Vaak worden niet alle volwassen wormen gedood, degene die niet dood gaan bouwen een resistentie op tegen een bepaald middel X.
Behandeling met middel Y kan bijvoorbeeld wél zorgen voor het doden van de wormn, lukt dit niet dan bouwen ze tegen Y ook resistentie op, dit is dan weer een andere resistentie, dus per middel.
Resistentie van de wormen tégen één of meerdere middelen kan óók ontstaan doordat de dosering van de ontworming te laag is! Het gewicht van je dier is dan ook belangrijk wanneer je ontwormt.

Besmetting

Wanneer er sprake is van een besmetting, zie je meestal géén wormen, de volwassen wormen leggen eitjes en deze worden uitgescheiden met de mest. Die zijn dan ook meestal niet zichtbaar. Dit is dan ook het antwoord op de eerste vraag. Ook verloopt een besmetting meestal zonder klachten.
Sleetje rijden is een vaak genoemd symptoom, maar dit heeft meestal niets te maken met wormen, maar met de anaalklieren, welke weer in verband staan met de spijsvertering. Dus goede voeding en zuinig zijn met chemische middelen. Dat is het antwoord op vraag 3.
Symptomen die je bijvoorbeeld kunt zien bij wormbesmettingen zijn braken, diarree, vermagering, doffe vacht, vermoeidheid, bloedarmoede, slechte eetlust, etc.
Afhankelijk van het aantal eitjes, die men telt bij een mestonderzoek, bepaald men de soort besmetting, dus van welke worminfectie sprake is én de hoeveelheid ei uitscheiding wordt bepaald.
Je kunt door het doen van mestonderzoek, dan ook kijken welke wormbesmetting er is. Daarmee kun je dan ook gericht ontwormen, met de juiste wormenkuur.
Wanneer er sprake is van een besmetting en het dier met een chemisch middel is behandeld, kan er na 7 tot 14 dagen een nieuw mestonderzoek plaatsvinden, zodat je weet of de wormen effectief genoeg behandeld zijn. Bij VPL het Woud informeren ze je daarover.

Praktijk

Ik krijg veelvuldig dieren met maagdarmproblematieken in de praktijk. Giardia (eencellige parasiet, geen worm) is bijvoorbeeld een vaak voorkomend en terugkerend probleem, welke regulier niet altijd succesvol kan worden behandeld.
Met ondersteuning van natuurlijke middelen is deze problematiek goed behandelbaar.
Ook terugkerende bloedworminfecties en lintwormen heb ik regelmatig met succes kunnen behandelen. De therapie is dan gericht op het ondersteunen van het immuunsysteem, voeding verbeteren en het maag-darm-slijmvlies onaantrekkelijk maken voor wormen.
Met homeopathische middelen en kruiden heeft menig eigenaar een spreekwoordelijk hartverzakking gekregen bij het zien uitkomen van bergen wormen. Dat is echt schrikken, maar wel noodzakelijk in de behandeling.

Preventie

Natuurgeneeskundig probeer ik vóóral preventief te werken. Dat houdt vooral in het darmmilieu onaantrekkelijk maken voor de wormen. Daarnaast is het erg belangrijk dat iedereen zijn eigen hondenpoep opruimt.

Achteraf gezien kan óók heel veel, maar vaak gaat dit wél in combinatie met reguliere medicatie wanneer er sprake is van een zware wormbesmetting of terugkerende besmetting.

Er is niet één natuurlijk middel wat succesvol is, er zijn er vele, het is altijd maatwerk. Vraag 2 is daarom niet eenduidig te beantwoorden.
Stalmanagement, hygiëne, tijd van het jaar, weersomstandigheden hebben allemaal invloed op de ontwikkeling van wormen. Dit geldt natuurlijk ook voor paarden, schapen, koeien, konijnen, etc.


Hulp en advies

Zoek je hulp bij bovenstaande problematiek? 

Wil je op een natuurlijke manier je dier ondersteunen bij de aanpak van wormen, voeding en andere gezondheidsklachten? 

Maak een afspraak of neem bij vragen vrijblijvend contact op met dierpraktijk NatuurTalent via 06-16802445 of mail naar colette@dierpraktijk.nl.
Samen zoeken we naar de oorzaak en kijken we wat voor jouw dier de juiste oplossing is.

Liefs,
Colette



Dierpraktijk NatuurTalent
Colette Frankort
Natuurgeneeskundige en Homeopaat voor dieren.
www.dierpraktijk.nl
Delen van dit artikel? Graag! en mét bronvermelding van de schrijfster en de praktijk.










Opbellen
E-mail